Circuit Moneuse: molenaarszoon - Quiévrain

Historisch in Quiévrain

5.9 km
Te voet
1h 30min
Middelen
5.9 km
Per fiets
45min
Middelen
  • Met dit traject treedt u in de sporen van Antoine-Joseph Moneuse, de beruchte schurk en kapitein van de “Chauffeurs du Nord” (verwarmers van het noorden).

    U keert terug naar de oorsprong van het personage, gaande van zijn kindertijd in Saint-Vaast tot het moment waarop hij onze streek vervoegt.

    Tegelijk een ideale gelegenheid om over molens te spreken. Moneuse leefde als molenaarszoon in een tijd waarin de landschappen gevormd werden door windmolens. Langs het traject ontdekt u enkele vestingen, al zijn vele andere helaas volledig verdwenen. Soms zult u dus even uw ogen moeten sluiten en uw verbeelding de vrije loop laten.

    Geniet van uw wandeling en let goed op... de bandieten liggen op de loer.

    Dit traject werd uitgestippeld door het Parc Naturel des Hauts-Pays

    Illustraties Claude Renard.
  • Hoogteverschil
    59.58 m
  • Documentatie
    Met GPX / KML-bestanden kunt u de route van uw wandeling naar uw GPS exporteren (of ander navigatieprogramma)
Bezienswaardigheid
1 Place d'Audregnies
Wist u dat...? Audregnies is de gemeente met het grootste begroeide marktplein van België. De gemeente maakt ook deel uit van het Parc Naturel des Hauts-Pays.
2 Antoine-Joseph Moneuse: zijn oorsprong
Antoine-Joseph Moneuse werd in de herfst van 1768 geboren in Marly (Frankrijk). Rond 1776 verhuisden zijn ouders (Catherine Moreau en Antoine Moneuse) naar Saint-Vaast (Frankrijk). Zijn vader, Antoine, was molenaar en bezat een eigen molen. Moneuse had drie broers: Martin-Joseph, Hippolyte en Pierre-François.
3 Foyer Notre Dame de Paix - oud internaat en klooster van de Bernardijnendames (cisterciënzers)
Rechts ziet u een molen staan. Deze is pas recent gebouwd (2013). Hij ontstond in het kader van een intern project van de Foyer Notre Dame de Paix. Dit bekende rusthuis kent een rijke geschiedenis.

Geschiedenis:

Voor het ontstaan van het gebouw moeten we terug naar 1904, toen een gemeenschap van Franse Bernardijnen (cisterciënzers) zich er vestigde en tot 1942 een internaat voor meisjes uitbaatte, het Pensionnat Saint Bernard voor meisjes.

De religieuze Bernardijnendames van Esquermes-Les-Lille trekken naar Audregnies nadat geloofsgemeenschappen uit Frankrijk verdreven werden. Ze bezetten de oude Leroy-boerderij waarvan het huis niet groot genoeg was om alle leerlingen op te vangen die met de zusters meekwamen. De Bernardijnen zagen het als doel van hun geloofsgemeenschap om jonge meisjes een geloofsopleiding aan te bieden.

Er dienden zich dan ook uitbreidingswerken aan, waarvoor ze de hulp kregen van talrijke werklieden uit de streek van de Hauts-Pays.

In oktober 1903 trekken de Bernardijnen, in afwachting van de afwerking van een nieuw gebouw, in een tijdelijk kapel.

De eerste steen van het toekomstige Pensionnat Saint-Bernard wordt op 21 maart 1904 gelegd in het bijzijn van de kapelaan van de Bernardijnen kanunnik MARGERIN, de deken van Dour, de priester van Audregnies abt SOUDAN, de burgemeester van Audregnies Raymong GLINEUR en nog andere notabelen van de parochie. Op 14 mei 1905 zijn de werken afgerond. Het nieuwe gebouw biedt alle comfort die in die tijd denkbaar was.

Er is plaats voor 60 tot 80 meisjes van Franse aristocratische en burgerfamilies, die van de Bernardijnen een religieuze opleiding genieten.

Tijdens de zomermaanden kon men regelmatig lange rijen internaatmeisjes in uniform door het dorp zien trekken.

In 1914 richten de Bernardijnen een deel van het internaat in als militair hospitaal om de 180 gewonde slachtoffers van de slag bij Audregnies te verzorgen.

In 1925 richten ze een bibliotheek op die elke zondag open was voor het publiek. De Bernardijnen (naar wie de Chemin des Nonettes vernoemd is) trekken in 1940 weg uit Audregnies en worden in 1942 vervangen door de Salesiaanse Zusters van Don Bosco.

Sommige meisjes uit Audregnies konden terecht in het internaat, maar ook kinderen uit andere steden in de streek die door de winterhulp gestuurd werden.

Vanaf 1945 start een seculiere verpeegstersgemeenschap uit Vlaanderen er met thuiszorg. De bisschop van Doornik, Mgr. HIMMER, maakt zich grote zorgen om de situatie van de ouderen uit Mons-Borinage.

Hij uit in 1953 dan ook de wens om in het bestaande gebouw een ouderentehuis in te richten, naar het voorbeeld van initiatieven uit protestantse hoek.

Zo ontstaat op 13 februari 1954 de vzw Foyer Notre Dame de Paix in Audregnies. De vzw publiceert haar statuten in het Staatsblad van 27 maart 1954 met volgende doelstelling: de oprichting van tehuizen voor ouderen en voor oude gezinnen en allerlei ziekenhuisactiviteiten (artikel 2. van de statuten).

De contacten die in 1953 plaatsvonden tussen vicaris-generaal Mgr. JOOS van het bisdom van Doornik en het bisdom van Zagreb (Kroatië), monden op 14 mei 1954 uit in een conventie die de Congrégation des Sœurs Servantes de l'Enfant Jésus verplicht om tien leden van haar gemeenschap ter beschikking te stellen van de vzw. In ruil biedt de vzw hun eten en onderdak en alles wat nodig is zonder financiële vergoeding. Deze laatste clausule was een voorwaarde voor het verblijf van de Kroatische zusters. De vzw verleende aan de geloofsgemeenschap de dienst van het (nog op te richten) tehuis.

Op 16 juli 1954 zijn de terreinen en de gebouwen van de gemeenschap van de Bernardijnenzusters het onderwerp van een verkoopbelofte aan de vzw. Het gaat om een bedrag van drie miljoen Belgische frank, dat op een termijn van 10 jaar betaald moet worden met 4% jaarlijkse intrest. De herstellingswerken vereisten veel financiële middelen, waarvoor een beroep werd gedaan op giften. Ook werden in alle kerken van het arrondissement collectes georganiseerd, werd het decaanschap van Dour om een interventie gevraagd, ...

Het moet de oprichters heel wat moed gekost hebben om aan zo'n avontuur te beginnen!

Op 7 september 1956 belanden zes religieuzen in Brussel, die in februari 1963 door nog zes anderen vervoegd worden.

De eerste bewoner werd op 17 december 1956 verwelkomd... Het startschot is gegeven!

Bron: http://www.foyernotredamedepaix.be
4 Het einde van de onschuld
Elke dag keert de vader van Moneuse terug naar zijn molen in Marly terwijl zijn zoon naar school trekt. Moneuse is een middelmatige leerling, die liever rondtrekt in de weides dan in de klas zit.

23 juni 1779 zal voor altijd zijn leven veranderen. Terwijl hij op weg naar school richting Bavay door de velden trekt, merkt Moneuse iets op in een tarweveld. Hij gaat ernaartoe en ontwaart het silhouet van een slapende man. Het blijkt zijn vader te zijn. Voor Moneuse is het al snel duidelijk dat hij niet aan het slapen is. Zijn vader ligt dood in een plas bloed.
5 Kapel van Saint-Thérèse van het kind Jezus
Deze kleine kapel nodigt uit tot bezinning. Het vormt een belangrijke gebedsplaats voor de dorpelingen maar ook voor toeristen. In de kapel bevindt zich ook een medaillon van de Heilige Theresia waar gelovigen een inscriptie hebben gegraveerd: “Ik wil mijn hemel doorbrengen met goed te doen op aarde”. Daarnaast is er ook een gisant van de heilige, die de mythische schoonheid van deze plek nog versterkt.
6 Onrecht
Voor Moneuse was het duidelijk dat zijn vader de vorige avond om het leven was gebracht na een meningsverschil met een zekere Jean Leleux, een buurman. Gewoon een geldkwestie, die Antoine Moneuse met zijn leven moest bekopen. De moordenaar zou nooit gevat worden.

Voor Moneuse was het de eerste keer dat hij met het gerecht, of eerder met onrecht, in aanraking kwam. Het zou zeker niet de laatste keer zijn...
7 Cichoreimolen van Martin
Een cichoreimolen met paarden die op deze plek door Pierre-Joseph Martin werd gebouwd in 1859. Vandaag blijft er niets meer van over.

Dankzij rosmolens was men niet meer afhankelijk van de grillen van de wind. Ze dienden dan ook als aanvulling voor de “grote” windmolens. Het paard loopt rondjes aan de buitenkant van het gebouw en zet zo twee molenstenen in werking via een balk die uit het dak stak.
8 Molen van Audregnies of Glineurmolen
Ter hoogte van de Rue de l'Église nummer 20 slaat u linksaf en volgt u gewoon het geluid van het water. Op het einde van het wegje staat u tegenover een waterval. Deze hoort bij de oude watermolen met oorsprong eind 12de eeuw. Het gebouw is nog intact, al ontbreekt het molenwiel.

De molen behoorde toe aan de graaf van Baillencourt. Dankzij zijn molen van Audregnies beschikte Joseph, graaf van Baillencourt, heer van Audregnies, staatsafgevaardigde, adelheer van Henegouwen, stadsprevoost en koninklijk provoost van Mons, in 1766 over het ketsrecht in de naburige dorpen.

Vanaf 1220 wordt de molen belast met een rente van 120 “rasières” (oude meeteenheid die gelijkstond aan ongeveer een halve hectoliter) graan aan het klooster van de Trinité van Audregnies. De molenaars van Audregnies en van Athis die het ketsrecht hebben in Montignies keren er elke dag heen om de “monnées” (meelzakken) van de bewoners op te halen en gebruiken daarvoor hun paarden. De dieren droegen een bel om de bewoners te verwittigen, waarbij deze laatsten enkel dit gemalen moesten afdragen.

In 1723 tekenen dertien barhouders van Audregnies een verklaring waarin ze de verplichting aanvochten die hun heer oplegde om zijn molen te gebruiken.

In 1811 viel hij in handen van François Demarez.

Bevestigd door Vander Maelen in 1739. De molen bevindt zich pal in het dorpscentrum, quasi recht tegenover de kerk. De molen draait dankzij het water van de Kleine Honnelle. De rivier volgt hier een omleiding teneinde het molenwiel te kunnen laten draaien. In de loop der tijd zou deze omleiding uitgroeien tot de hoofdloop van de rivier. Dankzij een berm vloeit een heel klein stukje van de rivier nog langs de (echte) alluviale vlakte. De molen bevindt zich helemaal aan de buitenkant van de omleiding, aan de bodem van de vallei. Dit maakte het gemakkelijker om een waterval te creëren en om het molenwiel te plaatsen. Een ruimte-indeling die sterk lijkt op die van de watermolen van Hautrage.

De waterlopen worden op zo een manier beheerd dat de waterloop ter hoogte van de molen in twee delen wordt gesplitst.

Het gebouw bevindt zich op een vrij lange rechthoekige oppervlakte. Het noordelijke tandwiel staat tegen de stroom in. De molen is bedekt met een aflopend stenen dak en bevindt zich op een sterk glooiend reliëf. Hierdoor loopt het gebouw over van één verdieping (stroomopwaarts, waar zich de gevel bevindt met de waterafloop van het dak) naar quasi twee verdiepingen aan de andere zijde (stroomafwaarts).

Het uitzicht van de molen van Audregnies wordt grotendeels bepaald door de hoge waterafloop langs de gevel. In het midden van deze waterafloop bevindt zich een groot steunvlak uit uiterst mooi gerangschikte stenen. Aan de rivierzijde loopt dit steunvlak over in een schuin aflopend gedeelte.

De molen bevindt zich links van de waterafloop en heeft een extra deel dat op de berm van de rivieromleiding steunt en uitloopt in de bodem van de alluviale vlakte. Het koertje van de molen loopt over in een grotere koer. Deze beschikt over alle eigenschappen van een belangrijke boerderij, waar de molen slechts een onderdeel van lijkt te vormen.

De deurlatei van het gebouw heeft de inscriptie van het jaartal 1823. Dit cijfer lijkt het jaartal aan te geven waarin de constructie in haar totaliteit werd gebouwd. Een schoorsteen aan het westelijke tandwiel bevestigt dat het linkerdeel van het gebouw als woonruimte diende voor de molenaar en het rechterdeel als molen zelf.

Bronnen:

A. HAVEZ & Gérard BAVAY

Literatuur

Algemeen rijksarchief in Brussel, karton 763 (1766)

Verriest, "Le régime seigneurial dans le comté de Hainaut, p. 282 ("Greffes des justices échev. et seigneuriales")

A. Havez, "Mémoires en Haut-Pays - Moulins sans frontière 1095 - 1995, p. 116-117, ill.

Jules Dewert, “Les moulins du Hainaut. Arrondissement de Mons", Annales du Cercle d'histoire et d'archéologie de Baudour, deel 4, 1939, p. 1-202;

Jacques Vandewattyne, "Inventaire des moulins du Hainaut. Arrondissement de Charleroi - Arrondissement de Mons - Arrondissement de Soignies", Hainaut-Tourisme, n° 118, juli 1966, p. 139-144

"Moulins en Hainaut", Brussel, Gemeentekrediet, 1987 G. Bavay (coord.), "Patrimoine et histoire des moulins en Hainaut - Inventaire descriptif", Analectes d'histoire du Hainaut, deel XI, Mons, Hannonia, 2008, p. 305-306, ill. "Moulins en Hainaut", Mons, Hannonia / Brussel, Gemeentekrediet, 1987.
9 Een turbulente adolescent
Moneuses moeder was niet in staat om de molen te behouden na de dood van haar echtgenoot. Ze vormde haar woning dan ook om in een cabaret waar rondtrekkende koopmannen, paardrijders en gendarmes regelmatig halt hielden.

Het liet niet lang op zich wachten vooraleer Moneuse in aanraking kwam met de gendarmes. Op 15,5-jarige leeftijd wordt hij beschuldigd van diefstal, al kon zijn betrokkenheid nooit bewezen worden. Het jaar daarop wordt hij beschuldigd om een jongen met een mes te hebben gestoken nadat deze hem uitgescholden had. Op zijn 17de wordt hij opnieuw beschuldigd van diefstal, maar de koopman herkende hem niet.

In 1788 besluit Moneuse de regio te verlaten.
10 Moustache-molen
De Moustache-molen is een stenen windmolen langs de Rue Avalaresse, voorbij nr. 5 (kadaster sectie A nr. 553).

Deze weg loopt tussen uitgestrekte weides naar het dorpje Thulin en de alluviale vlakte van de Haine. De molen ligt net aan de rand van de dorpskern bovenaan de helling die de Kleine Honnelle-vallei domineert.

De inscriptie vermeldt: “je fus bâti en 1795 par F.G.J. Dupont” (gebouwd door F.G.J. Dupont in 1795), bevestigd in 1834.

Vanaf 1883 was de Moustache-molen zwaar beschadigd, waarna hij in 1891 definitief verlaten werd.

In 1927 resteerde nog de stenen toren, bedekt met tegels.

De vleugels waren verdwenen. De Moustache-molen is een zogenaamde gemetselde grondzeilermolen, in dit geval uit baksteen. Aan de voet heeft hij een diameter van 6 meter. De deur van de molen bevindt zich onder een ronde boog. Drie vensters verlichten de verdiepingsruimte, waarvan twee onder een volledige halfcirkelboog en een andere onder een segmentboog, waarschijnlijk het resultaat van een verbouwing.

De draaibare kap van de molen is verloren gegaan, net als de wieken en de interne mechanismes. Door dit verlies van het dak werden de bovenste rijen stenen afgewerkt in een schuin aflopend deel. De constructie wordt summier beschermd dankzij een eenvoudige golfplaat uit asbest.

A. HAVEZ & Gérard BAVAY
Sources
http://www.molenechos.be/molen.php?AdvSearch=298
17 februari 2015
11 Molen van de Tordoir
Op deze plek stond de Molen van de Tordoir. Het ging om een houten oliewindmolen, die reeds in 1502 beschreven werd op het veld met de naam “Fâche du moulin à vent”, langs de voie Moneresse (Rue Avaleresse, de weg van Audregnies naar Thulin).

De molen verdween vóór 1810.

A. HAVEZ

Literatuur
A. Havez, “Mémoire en Haut-Pays. Moulins sans frontière, 1095-1995”, Onnezies, 1995, p.119. Jules Dewert, “Les moulins du Hainaut. Arrondissement de Mons”, in: Arrondissement de Mons", Annales du Cercle d'histoire et d'archéologie de Baudour, deel 4, 1939, p. 1-202, p. 196-197). G. Bavay (coord.), “Patrimoine et histoire des moulins en Hainaut – Inventaire descriptif”, Analectes d’histoire du Hainaut, deel XI, Mons, Hannonia, 2008, p. 304-305. "Moulins en Hainaut", Mons, Hannonia / Brussel, Gemeentekrediet, 1987.
12 Een bewogen periode
Er is weinig geweten over het leven van Moneuse tijdens de eerste jaren na zijn vertrek. Volgens sommigen was hij naar Parijs getrokken. Het moet gezegd dat de Franse hoofdstad op dat moment allesbehalve haar rustigste periode doormaakte. 1789, het jaar van de Franse revolutie. De wereld is in volle overgang. Overal heerst de hoop op verandering. Hoop die snel de kop in zou worden gedrukt door het schrikbewind tijdens de Terreur (1793-94), gevolgd door het Directoire (1795-99).
13 Terugkeer van Moneuse
In januari 1794 komt Moneuse opnieuw in de streek wonen. Een onstabiele streek, waarvan de grenzen verschuiven in functie van de overwinningen en nederlagen van de Franse en Oostenrijkse troepen. België komt in handen van Oostenrijk (1793) om nadien opnieuw bij Frankrijk te worden ingelijfd (1794). Een periode met grote hongersnood. Het volk moppert en er geschiedt amper gerecht. Tegen deze achtergrond zien dievenbendes het levenslicht in de regio.

Moneuse begint na zijn aankomst als graan- en veehandelaar.
14 De overval op Léon Lagroux (Rieu-Marion)
Het enige misdrijf van Moneuse op grondgebied Quiévrain doet zich voor in het bos van Audregnies, ter hoogte van de waterloop Rieu-Marion.

Op een februaridag in 1794 is een zekere Léon Lagroux, paardenhandelaar uit Hornu, het slachtoffer van een overval vlak nadat hij het estaminet van Audregnies verlaat. Hij zou volgende verklaring afleggen:

“Vlak bij de Rieu-Marion sprong een persoon die zich in de gracht verborgen hield, op het hoofdstel van mijn paard. Twee anderen wierpen me omver. Ondanks de pijn in mijn been slaagde ik erin om me te verdedigen met de rijzweep dat ik steeds om mijn pols draag. Nadat ik een van de aanvallers in zijn maag had geslagen, hoorde ik iemand klagen en roepen: “Mendeck, kom me helpen!” Onmiddellijk erna sprong een ruiter uit het struikgewas en sloeg me met het heft van zijn zwaard. Voordat ik mijn bewustzijn verloor, hoorde ik hem nog zeggen: “Geef hem nog een paar klappen met de knuppel en geef me daarna zijn riem.” Mijn riem! Deze bevatte 5 000 frank aan goudstukken. En toen verdween mijn paard. Ik dien klacht in tegen deze Mendeck!”

Na dit voorval doet het verhaal de ronde dat Mendeck en Moneuse eigenlijk eenzelfde persoon is, de leider van de schurkenbende van de Chauffeurs du Nord (verwarmers van het noorden). Volgens de legende staken ze de voeten van hun slachtoffers in brand om zo te ontlokken waar ze hun schatten verborgen hielden.
15 Mendeck = Moneuse?
Is Moneuse deze mysterieuze Mendeck? Is hij het slachtoffer van jaloezie omwille van zijn luxeleventje terwijl het gewone volk honger heeft? Op dit moment bevestigt niets dit wilde gerucht, maar voor de molenaarszoon vormt het slechts het begin van alle problemen. Het aantal overvallen in de streek blijft toenemen en het gerecht wil een schuldige. Een ding staat vast: over Moneuse is het laatste nog niet gezegd...
16 Molen van Planches
Hier stond de molen van Planches, een houten graanwindmolen in het veld van l'Enfer, op de kruising tussen de Rue de Calvaire (weg naar Élouges) en de Chemin de Wihéries, op kadaster nr. 520c.

In 1845 behoorde de molen toe aan François Dupont.

Na 1870 werd hij afgebroken.

Toeval of niet, vandaag bevindt zich hier een bakker.

A. HAVEZ

Literatuur

A. Havez, “Mémoire en Haut-Pays - Moulins sans frontière, 1095-1995, p. 116-117, ill. Jules Dewert, “Les moulins du Hainaut. Arrondissement de Mons", Annales du Cercle d'histoire et d'archéologie de Baudour, deel 4, 1939, p. 1-202, p. 196-197). G. Bavay (coord.), “Patrimoine et histoire des moulins en Hainaut – Inventaire descriptif”, Analectes d’histoire du Hainaut, deel XI, Mons, Hannonia, 2008, p. 304. "Moulins en Hainaut", Mons, Hannonia / Brussel, Gemeentekrediet, 1987.
60 meters hoogteverschil
  • Starthoogte : 62 m
  • Aankomsthoogte : 62 m
  • Maximale hoogte : 69 m
  • Minimale hoogte : 44 m
  • Totaal positief hoogteverschil : 60 m
  • Totaal negatief hoogteverschil : -60 m
  • Maximaal positief hoogteverschil : 19 m
  • Maximaal negatief hoogteverschil : -13 m
Beoordeling toevoegen
Schrijf uw beoordeling over Circuit Moneuse: Molenaarszoon - Quiévrain :
  • Verschrikkelijk
  • Slecht
  • Gemiddelde
  • Goed
  • Uitstekend
Er zijn nog geen reacties op Circuit Moneuse: Molenaarszoon - Quiévrain, schrijf als eerste een verlaten !